FNV ZZP

Verzekeringsplicht opdrachtgever JA of NEE?

Verzekeringsplicht opdrachtgever JA of NEE?

De zorgplicht van de werkgever voor zijn/haar werknemer is anders geregeld dan de zorgplicht van de opdrachtgever voor zijn/haar opdrachtnemer. Er zijn gevallen waarin de opdrachtnemer de schuivende panelen tussen arbeidsovereenkomst en de overeenkomst van opdracht verder in beweging probeert te krijgen. Dan moet een rechter wel mee willen werken. In dit artikel lees je of dat in het geval dat ik behandel, is gelukt.

Wat is er aan de knikker?

Puttering werkt als zzp'er en heeft een voegersbedrijf. De appel valt niet ver van de boom want ook de ouders van Puttering hebben een voegersbedrijf, genaamd Voeg&Vast. Puttering doet regelmatig klussen voor Voeg&Vast op basis van overeenkomsten van opdracht.

Met de bedrijfsauto van Voeg&Vast vindt een eenzijdig ongeval plaats. Puttering is de bestuurder en raakt daarbij ernstig gewond. Voeg&Vast heeft o.a. een ongevallenverzekering voor inzittenden en de bestuurder afgesloten. Op grond van deze verzekering ontvangt Puttering een schadebedrag. Voeg&Vast heeft ook een aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven (AVB) afgesloten. De verzekeraar noem ik SecureTy. Voeg&Vast heeft echter geen inzittendenschadeverzekering afgesloten.

Op zijn beurt heeft Puttering een arbeidsongeschiktheidsverzekering en die keert hem een bedrag uit van € 410.000,-.

Aansprakelijk

Puttering stelt Voeg&Vast en SecureTy aansprakelijk en vindt dat Voeg&Vast een inzittendenschadeverzekerinng had moeten afsluiten. De vordering van Puttering wordt door de rechtbank afgewezen en hij gaat in hoger beroep.

De kern van het geschil in hoger beroep is de vraag of opdrachtgever Voeg&Vast (en dus zijn verzekeraar SecureTy) aansprakelijk is voor de schade die Puttering als gevolg van het hem overkomen ongeval heeft geleden.

Zorgplicht

Puttering vindt dat Voeg&Vast tekort is geschoten in haar verplichting om voor een behoorlijke verzekering zorg te dragen. Een opdrachtgever is volgens Puttering verplicht een ‘behoorlijke verzekering’ af te sluiten voor een door hem ingeschakelde zelfstandig ondernemer wanneer de opgedragen werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat hij als bestuurder van een motorvoertuig aan het verkeer moet deelnemen.

De vrijheid van een opdrachtgever om te kiezen voor het laten verrichten van het werk door eigen werknemers of door anderen zoals Puttering mag volgens Puttering niet van invloed zijn op de rechtspositie van degene die het werk doet.

Hij vindt ook dat voor Voeg&Vast op grond van artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap) een ‘behoorlijke verzekeringsplicht’ had gegolden als een eigen werknemer voor de desbetreffende werkzaamheden zou zijn ingeschakeld.

Daarom dient wat Puttering betreft die bescherming ook te bestaan wanneer Voeg&Vast ervoor kiest dit werk door een andere arbeidskracht, zoals in dit geval door Puttering, te laten uitvoeren. Volgens Puttering zou de redelijkheid en billijkheid dat vergen en zou het nalaten een behoorlijke verzekering te hebben ook een onrechtmatige daad opleveren. Ook vindt Puttering dat naar analogie van goed werkgeverschap ook voor Puttering een behoorlijke verzekering had moeten zijn afgesloten door Voeg&Vast.

Goed werkgeverschap

Puttering heeft betoogd dat de reikwijdte van artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap) op dezelfde wijze dient te worden uitgebreid als dat met lid 4 van artikel 7:658 BW is beoogd ten aanzien van de – in lid 1 en lid 2 van dat artikel vastgelegde – werkgeversaansprakelijkheid. In artikel 7:658 lid 4 BW is geregeld dat hij/zij die in de uitoefening van zijn/haar beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, overeenkomstig de leden 1 tot en met 3, die gaan over werknemers, aansprakelijk is voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt.

Wat vindt het hof?

Het hof acht niet uitgesloten dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid in de rechtsverhouding tussen een opdrachtgever en een opdrachtnemer onder omstandigheden meebrengt dat op de opdrachtgever een verzekeringsplicht rust die vergelijkbaar is met de verzekeringsplicht die die opdrachtgever op grond van artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap) jegens zijn werknemers heeft.

Eén van de bijzondere omstandigheden, die het hof van wezenlijk belang acht, is dat de zelfstandig ondernemer, die werkzaamheden heeft verricht in het bedrijf van  opdrachtgever, zich in een vergelijkbare positie bevindt als een werknemer die werkzaam is in datzelfde bedrijf. In het kader van o.a. de discussies over de vervanging van de Wet DBA en het handhavingsbeleid van de belastingdienst is dat geen verrassende redenering.

Bijzonder of niet-bijzonder

Volgens het hof is in dit geval geen sprake van die bijzondere omstandigheid. Het hof zegt dat Puttering niet in een vergelijkbare positie werkzaam is als een werknemer die bij Voeg&Vast werkzaam is.

Waarom niet, is dan de vraag. Welnu, Puttering heeft zelf gesteld dat hij als zelfstandig ondernemer verschillende werkzaamheden voor Voeg&Vast uitvoerde. Hij verrichtte niet alleen ‘werkzaamheden op de steiger’, maar nam ook het debiteurenbeheer volledig voor zijn rekening.

Hij nam klussen en projecten op in verband met het kunnen uitbrengen van offertes door Voeg&Vast en bemiddelde als “troubleshooter” bij problemen die speelden tussen Voeg&Vast en haar klanten. Volgens Puttering bestond er een nauwe band tussen zijn eigen bedrijf en Voeg&Vast.

Dat er een familieverhouding (zoon-ouders) aan de nauwe band tussen de bedrijven ten grondslag ligt, benoemt het hof hier niet terwijl dat wel een feit is dat onmiskenbaar een verklaring geeft voor die nauwe band.

 

Reclame op bedrijfsauto's Voeg&Vast

Voor het hof bleek de nauwe band tussen de bedrijven in het bijzonder uit het feit dat op de bedrijfsauto’s van Voeg&Vast niet alleen voor Voeg&Vast zelf, maar ook voor het bedrijf van Puttering reclame werd gemaakt.

Puttering heeft in de processtukken gezegd dat hij dat mocht “ter bevordering van de eenheid van ondernemen alsook ter vergroting van de naamsbekendheid van Puttering zelf”.

Helpende hand over en weer

Volgens Puttering voerden beide bedrijven bovendien vaak, soms ook tegelijkertijd, klussen voor dezelfde opdrachtgevers uit. Dat leidt het hof ook af uit opmerkingen van een werknemer van Voeg&Vast over dit onderwerp.

Het hof overweegt daarom dat tussen het bedrijf van Puttering en Voeg&Vast werk werd uitgewisseld en dat de bedrijven elkaar over en weer een helpende hand boden. Wat het hof betreft had Puttering een bijzondere positie binnen Voeg&Vast en voerde hij werk uit op basis van een op gelijkwaardigheid gebaseerde relatie tussen hem en Voeg&Vast. Van een gezagsverhouding tussen beiden is volgens het hof derhalve geen sprake. Ook hier geen aandacht van het hof voor de familierelatie tussen beide partijen.

 

Niet op gelijke voet met werknemers

Het hof concludeert dat Puttering daarom niet op gelijke voet stond met de werknemers van Voeg&Vast. Het feit dat ook de werknemers van Voeg&Vast van de bedrijfsauto gebruik maakten bij de uitvoering van hun werkzaamheden, maakt dat niet anders. Het niet afsluiten van een inzittendenschadeverzekering voor de bedrijfsauto van Voeg&Vast vindt het hof daarom niet in strijd met de ten opzichte van Puttering in acht te nemen redelijkheid en billijkheid.

Ook is er wat het hof betreft geen onrechtmatig nalatig handelen door Voeg&Vast. Daarbij neemt het hof in overweging mee, en dat roept nogal wat onbeantwoorde vragen op, dat Puttering zijn ondernemersrisico, namelijk het risico op arbeidsongeschiktheid, had gedekt door het afsluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De vorderingen van Puttering worden door het hof afgewezen.

 

Tot slot

Er kunnen dus volgens het hof omstandigheden zijn die kunnen leiden tot een verplichting  die Puttering heeft geclaimd. Het hof behandelt niet welke omstandigheden dat dan kunnen zijn. In dit geval zijn ze er niet en zo houdt het hof – zoals de rechtspraak vaker doet – alle opties open. Het kan dus wel dat de opdrachtgever nalatig wordt geacht in zijn/haar zorgplicht jegens de opdrachtnemer maar voor het antwoord op de vraag “hoe dan?” zal verder geprocedeerd moeten worden.

 

mr. Ewald van Sark
procesjurist FNV Zelfstandigen