FNV ZZP

Naar de Hoge Raad om 300 euro!

Naar de Hoge Raad om 300 euro!

Verbaas je niet, verwonder je slechts. Een zaak die bij de Hoge Raad speelde, had een financieel belang van € 356,12 als hoofdsom (en een tegenvordering van € 753,87). Partijen, een advocaat en zijn cliënte, kwamen er niet uit. Als één van de partijen niet wil schikken, dan lukt een regeling in der minne uiteraard niet. Ieder heeft het recht zijn of haar positie in te nemen, maar goed afwegen welk risico dat kan hebben, is de andere kant van de medaille.

De casus

De zaak is eerst behandeld door de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, de rechtbank die Rijdende Rechters voortbrengt.

De eisende partij is advocaat en heeft voor de betrokkene, ik noem haar mevrouw Wieshoof, advieswerkzaamheden verricht en een overeenkomst opgesteld voor het voortzetten van een eenmanszaak en/of een vennootschap. Daarvoor zijn 2 facturen uitgebracht op 2 september 2014 respectievelijk 25 september 2014. De advocaat wenst € 356,12 betaald te krijgen.

Wieshoof dient op 7 november 2014 een klacht in bij de deken van de Orde van Advocaten over haar advocaat. Zij vindt dat zij wat betreft de door de advocaat verrichte werkzaamheden in aanmerking kwam voor een toevoeging (gesubsidieerde rechtshulp) en dat de advocaat die toevoeging ten onrechte niet heeft aangevraagd.

Dat leidt ruim 1 jaar later tot een beslissing van 1 december 2015 van de Raad van Discipline van de Orde van Advocaten. De Raad vindt dat de voorzitter van de Raad de klacht van Wieshoof terecht ongegrond heeft verklaard. Kortom, de klacht van Wieshoof wordt niet gehonoreerd.

Procedure bij kantonrechter

Kort daarna dagvaardt de advocaat zijn cliënte Wieshoof om betaling van zijn facturen af te dwingen. Aan zijn vordering legt de advocaat ten grondslag dat Wieshoof op grond van een overeenkomst van opdracht gehouden is tot betaling van zijn facturen.

Wieshoof betwist de vordering en herhaalt het eerdere standpunt dat de advocaat volgens haar verzuimd heeft een toevoeging aan te vragen voor zijn werkzaamheden. Ze stelt ook een tegenvordering in van € 753,87, omdat zij vindt dat zij dat bedrag (kennelijk eerder) onterecht aan de advocaat heeft betaald voor zijn werkzaamheden.

Gebruikelijk is dan een comparitie van partijen, een mondelinge behandeling. De kantonrechter vond dat de zaak zich daar niet voor leende. Waarom is niet duidelijk maar vermoedelijk heeft de kantonrechter daarvan spijt gelet op het verdere vervolg.

Partijen mogen van de kantonrechter nog wel schriftelijk op elkaar reageren. De advocaat verweert zich tegen de tegenvordering van Wieshoof. Wieshoof reageert dan niet tijdig op het verweer van de advocaat. Zij verzoekt om uitstel voor haar schriftelijke reactie (dupliek), maar de kantonrechter wijst dat af (kennelijk omdat het uitstel niet conform het rolreglement is gevraagd) en bepaalt een datum voor vonnis.

Wieshoof dient dan - voordat vonnis is gewezen – een verzoek in om een pleidooi te mogen houden. Zij wil haar standpunt mondeling toelichten op een zitting bij de rechtbank.

Dat verzoek wijst de kantonrechter op 23 juni 2016 af. De reden die hij geeft, is dat een pleidooi, waarin de volle omvang van de zaak weer aan de orde kan komen, in deze zaak niet gerechtvaardigd is. Verder vindt hij dat het organiseren van een pleidooimogelijkheid leidt tot een onredelijke vertraging van de procedure. Vonnis wordt aangekondigd voor 7 juli 2016. Had de kantonrechter wel eerder een comparitie van partijen gehouden dan had hij in beginsel op grond van de wet (artikel 134 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) het vragen van pleidooi kunnen afwijzen. Ook had hij na comparitie mogelijk vonnis kunnen wijzen zonder een tweede schriftelijke ronde.

Het vonnis komt er uiteindelijk op 1 september 2016. De vordering van de advocaat wordt toegewezen en de tegenvordering van Wieshoof wordt afgewezen.

Cassatie bij Hoge Raad

Vanwege de hoogte van het bedrag is hoger beroep niet mogelijk (de grens ligt op € 1.750,-). Wel stapt Wieshoof naar de Hoge Raad. Zij vraagt de Hoge Raad de beslissing van 23 juni 2016 (weigering pleidooi) en het vonnis van 1 september 2016 te vernietigen.

Wieshoof is van mening dat de kantonrechter het verzoek om pleidooi ten onrechte heeft afgewezen, en betoogt, onder verwijzing naar artikel 80 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie, dat het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Ook vindt Wieshoof dat de beslissing van de kantonrechter om pleidooi te weigeren onvoldoende is gemotiveerd.

Zij voert dat aan omdat de Hoge Raad in zijn jurisprudentie over voornoemd wetsartikel als cassatiegrond tegen uitspraken van de kantonrechter, waartegen geen hoger beroep mogelijk is, heeft aanvaard dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat niet van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak kan worden gesproken. Daarvan is o.a. sprake als het recht op hoor en wederhoor en het recht op gelijke behandeling in geding zijn.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad stelt voorop dat partijen volgens vaste rechtspraak in beginsel het recht hebben hun standpunten bij pleidooi toe te lichten en dat een verzoek om de zaak te mogen bepleiten slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag worden afgewezen.

Voor het afwijzen van pleidooi is nodig dat van de kant van de wederpartij klemmende redenen worden aangevoerd tegen toewijzing van het verzoek of dat toewijzing van het pleidooiverzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde.

De rechter moet dan ook, aldus de Hoge Raad, in deze beide gevallen zijn redenen voor afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk vermelden en moet zijn beslissing daarover deugdelijk motiveren.

De motivering van de kantonrechter om het pleidooiverzoek af te wijzen komt er op neer dat een pleidooi wat de kantonrechter betreft in dit geval niet gerechtvaardigd is. Dat vindt de Hoge Raad zonder nadere onderbouwing onbegrijpelijk en dat wordt dus niet aanvaard.

De kantonrechter vond ook dat toewijzing van een pleidooiverzoek zou leiden tot onredelijke vertraging van de procedure. Ook die reden is voor de Hoge Raad zonder nadere motivering onbegrijpelijk, omdat de inleidende dagvaarding is betekend op 23 december 2015, terwijl het verzoek is afgewezen bij de rolbeslissing van 23 juni 2016. Kortom, de zaak liep niet veel langer dan gebruikelijk. Een pleidooi had dat iets verlengd maar niet overdreven lang.

Slotsom is dat de kantonrechter het verzoek om pleidooi niet had mogen afwijzen op de gronden die de kantonrechter heeft gebruikt. Dat betekent dat een nadere motivering in beginsel mogelijk is. De beslissing van de kantonrechter kan voor de Hoge Raad niet in stand blijven en datzelfde geldt voor het vonnis aangezien dat immers voortborduurde op de afwijzing van het verzoek om pleidooi.

Omdat de advocaat het afwijzen van het verzoek om pleidooi niet heeft uitgelokt of verdedigd, worden de proceskosten in cassatie gereserveerd en wordt hij op dit moment niet veroordeeld tot betaling van die kosten (ruim € 3.000,-). Dat bedrag blijft dus nog boven de markt hangen.

Wat nu?

De weigering van het verzoek voor pleidooi alsmede het vonnis van de kantonrechter worden vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank om de zaak verder te behandelen leidend tot een nieuw vonnis.

Dat kan betekenen dat alsnog het verzoek om pleidooi wordt toegewezen en de zaak verder wordt uitgeprocedeerd tot een nieuw eindvonnis van de kantonrechter. Een minder aannemelijke stap is dat de kantonrechter pleidooi opnieuw afwijst met een nieuwe motivering en een gelijkluidend vonnis wijst zoals hij eerder heeft gedaan.

Het arrest van de Hoge Raad laat zien dat het missen van een termijn niet perse fataal hoeft te zijn omdat een verzoek om pleidooi niet snel mag worden afgewezen. Als eerder een comparitie van partijen, een zitting, is gehouden kan dat anders komen te liggen. Het is uiteraard het beste om termijnen die de rechtbank stelt te halen of tijdig conform het rolreglement uitstel te vragen. Het eventuele risico van een proceskostenveroordeling in cassatie van ruim € 3.000,- kan immers beter worden vermeden ook al is cassatie de enige ingang als de vordering onder de appelgrens (€ 1.750,-) ligt.

 

Ewald van Sark

Jurist FNV Zelfstandigen

Laat een reactie achter
Verzend mijn bericht

Wij gebruiken cookies om uw gebruikerservaring te verbeteren.

Afwijzen
Ga verder